Voorwoord erkende streektaal die hoort bij een groep

 

 

Voorwoord

Met dit verslag wil ik meer te weten komen
over het Nedersaksisch. Bij dit verslag wil ik vooral de fonologische,
morfologische en de syntactische verschillen tussen het Nedersaksisch en het
Standaardnederlands ontdekken. Hierbij gebruik ik diverse bronnen die deze
verschillen aantonen. Deze verschillen verwoord ik vervolgens in
voorbeeldzinnen die de verschillen aanduiden. 

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now

 

Wat is het Nedersaksisch?

Het
Nedersaksisch is een in Nederland en Duitsland officieel erkende streektaal die
hoort bij een groep Nederduitse dialecten. Deze streektaal wordt in Duitsland voornamelijk
gesproken in het noorden en in Nederland wordt het vooral gesproken in het
noordelijke en oostelijke deel, hierbij kan je denken aan onder anderen de
provincies Drenthe, Overijssel de Gelderse regio’s Veluwe en Achterhoek en Groningen.
Nederland erkent het Nedersaksisch officieel als streektaal en geeft er
beperkte steun aan toe. Duitsland erkent het Nedersaksisch ook als streektaal,
in de Europese Unie is het ook een officieel erkende streektaal. De taalcode
van het Nederduits is nds en hieronder valt ook het Nedersaksische streektaal.

 

Fonologische
verschillen

De verschillen
tussen het Standaardnederlands en het Nedersaksisch liggen vooral bij de fonologie,
maar allereerst wat betekent de term ‘fonologie’? De fonologie van een taal is
simpelweg de ‘klankleer’ van een bepaalde taal of streektaal. Hierbij kan men
kijken naar klankencombinaties, klanken en intonatiepatronen bij zinnen en
diverse woorden. Natuurlijk heeft elke streektaal enkele kenmerken die uniek
zijn. Het Nedersaksisch ook en deze worden hieronder behandeld.   

Medeklinkers

Slotmedeklinker:
Het meeste bekende eigenschap die je in het Nedersaksische dialect vaak hoort bij
de fonologie is het ‘inslikken op de laatste -n. De laatste lettergreep wordt in
het Nedersaksisch amper uitgesproken en in het Standaardnederlands wel. Hierdoor
worden enkele slotmedeklinkers een drager van de allerlaatste lettergreep. Dit kan
een -n, een -m maar ook een -ng zijn. Voorbeelden hiervan:

Etn (= eten)
Loopm (= lopen)
Werkng (= werken)

Zoals in bovenstaande voorbeelden te zien is, wordt niet alleen de klank
genegeerd, de laatste slotmedeklinker verandert ook

Delet
intervocalische medeklinkers:

In hetoordelijkste
puntje van Groningen zijn bovenstaande woorden die eindigen op –en aan nog een
verandering onderhevig. De middelste medeklinkers verdwijnen namelijk helemaal.Hiervoor
in de plaats wordt een glottisslag geproduceerd. Dit is een kort klikje van de
stembanden die tegen elkaar slaan. Op die manier ontstaat er een plofje zonder
dat er iets met de mond wordt gedaan. Dit gebeurt in het Standaardnederlands
bijvoorbeeld bij het woord ‘beademen’ tussen /e/ en /a/. De bovenstaande
woorden worden dan uitgesproken als:

E’n (= eten)
Lo’n (= lopen)
Wer’ng (= werken)

Klinkers
Klinkerverandering:
Klinkers die in het Standaardnederlands achter in de mond worden gerealiseerd,
worden in het Nedersaksisch voor in de mond uitgesproken. Hierdoor ontstaat er
een klinkerverandering in veel woorden:

/uu/ in het Standaardnederlands wordt uitgesproken als /oe/, bijvoorbeeld in ‘zoer’
(= zuur)
/aa/ in het Standaardnederlands wordt uitgesproken als /oo/-achtige klank,
bijvoorbeeld in ‘drôôd’ (= draad)
/oo/ in het Standaardnederlands wordt uitgesproken als /eu/, bijvoorbeeld in
‘keupt’ (= koopt)
/ij/ in het Standaardnederlands wordt uitgesproken als /ie/, bijvoorbeeld in
blieven(=blijven)

Morfologische
verschillen

De morfologie van het Nedersaksisch verschilt heel erg
van het Standaardnederlands. Bij de morfologie van een bepaalde taal of
streektaal is de wordt er gekeken naar de ‘woordleer’. Hierbij wordt gekeken
naar de woordstructuur en de woordvolgorde, maar ook naar de woordvorming.
Hieronder staan verscheidene voorbeelden. 

Voornaamwoorden  

Persoonlijke
voornaamwoorden en bezittelijke voornaamwoorden:
In het Nedersaksisch worden dezelfde naamvallen gebruikt als in het Standaardnederlands.
Helaas woorden er natuurlijk weer andere voornaamwoorden aan gegeven, zoals het
bezittelijke voornaamwoord (3de rij):

persoonlijk
voornaamwoord
1e naamval

persoonlijk
voornaamwoord
3e, 4e naamval

bezittelijk
voornaamwoord

ik

mie

mien

doe

die

dien

hai

hom

zien

zai

heur

heur

t

wie

os

os

ie

joe

joen

zai

heur

heur

Werkwoordsvervoeging

Tegenwoordige
tijd:                                                                                                            
                                                                           Bij het vervoegen van
het onvoltooide tegenwoordige tijd is er een variatie met het
Standaardnederlands. De tweede  persoonsenkelvoud heeft een kleine diversiteit
ten opzichte van de rest die hetzelfde is:

1e persoon enkelvoud

stam

2e persoon enkelvoud

stam + -s(t)

3e persoon enkelvoud

stam + -t

1e persoon meervoud

stam + -en

2e persoon meervoud

stam + -en

3e persoon meervoud

stam + -en

 

 

 

 

Voltooid
deelwoord:

Bij het
Standaardnederlands wordt er om een voltooid deelwoord te vormen, meestal een
ge- voor het hele werkwoord (infinitief) geplaatst. Het gaat anders bij het
Nedersaksisch. Er wordt in de meeste gebieden een e- voor het hele werkwoord
(infinitief) geplaatst om een voltooid deelwoord te vormen:

ehuuln (gehuild)

enuumt (genoemd)

 

Meervoudsvorming

Op de meeste
plekken waar er Nedersaksisch word gesproken wordt er achter een enkelvoud een
-n geplakt om er een meervoudsvorm van te maken. Bij het Standaardnederlands
wordt er vaak een -en of een -s achter het enkelvoud gezet om er een meervoud
van te maken. Helaas is het Nedersaksisch ook afwisselend en worden er op
sommige gebieden net iets anders gesproken en wordt er in een deel van het
Nedersaksische gebied een  

Naast de toevoeging van een lettergreep is er nog een belangrijke,
karakteristiekere gebeurtenis bij de meervoudsvorming, namelijk de
klinkerverandering. In de meervoudsvorm wordt de klinker met een umlaut
uitgesproken. Hierdoor ontstaat ook wel het eerder genoemde ‘fronting’, waarbij
de klinkers meer voor in de mond uitgesproken worden. Een voorbeeld:

gast – geste

Verkleinwoorden

Bij het maken
van een verkleinwoord worden er verschillende achtervoegsels gebruikt. Dit
verschilt ook per regio. Op sommige plaatsen wordt de achtervoegsel -ken
gebruikt, terwijl er op andere plaatsen een -gien wordt gebruikt. Bij de meeste
gevallen ‘vraagt’ het woord dan ook om een klinkerverandering (umlaut), maar
ook dit gebeurt niet alle regio’s waar het Nedersaksisch wordt gesproken. 

Stoffelijke
bijvoeglijke naamwoorden

Bij het
Nedersaksisch worden stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden geschreven met een
umlaut. Een voorbeeld hiervan is met het zelfstandig naamwoord hout:

holt (hout) – höltn (houten)

 

Syntactische
verschillen

De syntaxis
van het Nedersaksisch komt heel erg overeen met datgeen van het
Standaardnederlands. De syntaxis is de ‘zinsleer’ van een taal of streektaal.
Hierbij valt te kijken naar de structuur en opbouw van de zinnen en de
zinsdelen. Deze worden nu ook weer behandeld.

Hulpwerkwoorden:
Bij het Nedersaksisch komt het hulpwerkwoord altijd achteraan de zin. Waardoor
eventuele zelfstandige of koppelwerkwoorden altijd voor het hulpwerkwoord
komen. Het Nedersaksisch kent gelijkenis aan het Duits toe. Die kent deze
zinsopbouw ook. Zie voorbeelden:  

Zeg mor davve’ kommen
willen.
Vertaling: Zeg maar dat we willen komen.

Nawoord

1Door dit verslag te maken heb ik diverse
verschillen ontdekt en voorbeelden gegeven van de verschillen tussen het
Nedersaksisch en het Standaardnederlands. Ik ben achter de fonologische,
morfologische en syntactische verschillen gekomen. Door deze verschillen op te
sporen heb ik gebruik gemaakt van bronnen waar deze verschillen werden benoemd.
Door dit verslag ben ik ook achter gekomen hoe het Standaardnederlands in
elkaar zit en hoe o.a. streektalen van elkaar kunnen afwijken op basis van fonologische,
morfologische en syntactische verschillen.